Spreek!

BIJBELSTUDIES / PREKEN

14.1.01

 
Blijf in het veld van de Verlosser

zondag 14 januari 2001

Ruth is een van de vijf feestrollen die in de synagoge worden voorgelezen. Het boek Ruth wordt voorgelezen op het zgn. ‘wekenfeest’, een oogstfeest dat zeven weken na het paasfeest wordt gevierd. De Griekse naam voor dit feest is: Pèntekostè, voor christenen: het feest van Pinksteren!
Voorgeschiedenis

De geschiedenis van Ruth speelt zich af ten tijde van de Richters (zie eerste vers van hoofdstuk 1). Het rijke echtpaar Elimelech en Naomi is vanwege een hongersnood uitgeweken naar het land Moab. Daar wonen zij met hun zonen, die beiden een Moabitische vrouw trouwen. Kiljon kiest Orpa; Machlon trouwt met Ruth. Elimelech komt te overlijden en 10 jaar later sterven ook de beide zonen. Dit is een rampscenario: drie vrouwen die geen man hebben voor bescherming en levensonderhoud. Naomi besluit hierop om terug te keren naar Juda, omdat ze gehoord heeft dat daar de (voedsel)situatie inmiddels verbeterd is. Ze zegt haar beide schoondochters dat zij terug moeten keren naar hun eigen moeder. Maar dat willen de schoondochters niet. Uiteindelijk besluit Orpa om Naomi te verlaten, maar Ruth belooft bij haar te blijven en haar te volgen. De woorden van trouw / loyaliteit van Ruth zijn ontroerend. Haar trouwbelofte is niet slechts een kwestie van ‘bij wie wil ik liever wonen’, maar had verstrekkende consequenties. De keuze voor het land was een keuze tussen de goden van haar volk en de God van Israël. Ruth kiest voor het volk en de God van haar schoonmoeder Noomi.

16 Maar Ruth zeide: Dring er bij mij niet op aan, dat ik u in de steek zou laten, door van u terug te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten: uw volk is mijn volk en uw God is mijn God; 17 Waar gij zult sterven, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden. Zo moge de Here mij doen, ja nog erger: voorwaar, de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en u. (Ruth 1:16, 17)

Weggaan uit Juda, uit het broodhuis Bethlehem, bleek een bittere teleurstelling. Nu moesten de vrouwen zien dat zij weer in hun onderhoud kunnen voorzien. De thuiskomst van Ruth is ontluisterend. Ruth 1:20 ‘Is dat Noomi?’ Maar zij zeide tot haar: Noemt mij niet Noomi; noemt mij Mara, want de Almachtige heeft mij veel bitterheid aangedaan. Noomi = mijn vreugde (Mara = bitter)
Ruth heeft door haar loyaliteit aan haar schoonmoeder - en door haar gehoorzaamheid aan God! - een plaats gekregen in het geslachtregister van David - en dus in dat van de Messias. Haar reis naar Bethlehem (het broodhuis!) is niet zonder betekenis… Bovendien wordt door het huwelijk met Boaz, een voorvader van David, een vreemdeling(e) (Moabitische) opgenomen in dit geslachtsregister. Hieruit blijkt Gods genade voor alle volken. Een studie van de vrouwen in het geslachtsregister van de Messias doet ons de ogen openen voor Gods genade! (Tamar, Rachab, Ruth en Batsheba). God kiest mensen die wij zelf in onze hoogmoed zouden uitsluiten. Maar God weet wie Hij kiest en uit deze keuzes spreekt Zijn onbegrensde liefde en vergeving.

Belangrijke informatie om de achtergrond van de relatie tussen Boaz en Ruth te kunnen begrijpen:

Het huwelijk van Boaz met Ruth is mogelijk door een combinatie van het losserschap en het leviraatshuwelijk.

Losserschap heeft betrekking op grondbezit: de plicht van het naaste mannelijke familielid om grondbezit van zijn naaste familielid, wanneer dit om een of andere reden in vreemde handen is gekomen, terug te kopen (te lossen).

Leviraatshuwelijk heeft betrekking op het veiligstellen van nageslacht: gebaseerd op voorschriften uit Deuteronomium 25. Een man kan trouwen met de weduwe van zijn broer, indien de weduwe kinderloos gestorven is. Zo wordt de naam van de overleden broer voortgezet. De eerstgeboren zoon uit dit huwelijk geldt dan als de zoon van de overledene en de stamboom wordt voortgezet.

Lezen: Ruth 2

Ruth 2
1 Noomi nu had een bloedverwant van haar mans kant, een zeer vermogend man uit het geslacht van Elimelek, Boaz geheten.
2 En Ruth, de Moabitische, zeide tot Noomi: “Laat mij naar het veld gaan en aren lezen achter hem, die mij genegen zal zijn.” En zij zeide tot haar: “Ga, mijn dochter.”
3 Zij ging dan heen en kwam en las op in het veld achter de maaiers; bij geval trof zij het stuk land van Boaz, die uit het geslacht van Elimelek was.
4 En zie, Boaz kwam uit Betlehem en hij zeide tot de maaiers: “De Here zij met u!” Zij zeiden tot hem: “De Here zegene u!”
5 Toen zeide Boaz tot zijn knecht, die over de maaiers gesteld was: Bij wie behoort deze jonge vrouw?
6 De knecht, die over de maaiers gesteld was, antwoordde: “Dat is een jonge vrouw uit Moab, die met Noomi meegekomen is uit het veld van Moab;
7 Zij heeft gezegd: ‘laat mij toch oplezen en inzamelen bij de schoven achter de maaiers.’ En zo is zij gekomen en zij is bezig geweest van de morgenstond af tot nu toe; het is iemand, die weinig thuis zit.”
8 Hierop zeide Boaz tot Ruth: “Hoor eens, mijn dochter, ga niet oplezen in een ander veld en ga ook niet hiervandaan; sluit u dan aan bij mijn arbeidsters,
9 (Gij ziet daar het veld voor u, dat men bezig is te maaien; NB Statenvertaling: ‘Uw ogen zullen zijn op dit veld’) en ga achter haar aan. Heb ik de knechten niet verboden u lastig te vallen? Hebt gij dorst, ga dan naar de vaten en drink van hetgeen de knechten scheppen.”
10 Toen wierp zij zich op haar aangezicht, boog zich ter aarde en zeide tot hem: “Waarom betoont gij mij uw gunst, dat gij uw oog slaat op mij, hoewel ik een vreemdelinge ben?”
11 Boaz antwoordde haar: “Mij is omstandig medegedeeld alles wat gij voor uw schoonmoeder gedaan hebt na de dood van uw man, en hoe gij uw vader en uw moeder en het land uwer geboorte hebt verlaten en gegaan zijt naar een volk, dat gij tevoren niet kendet.
12 De Here vergelde u uw daad, en uw loon valle u onverkort ten deel van de Here, de God van Israël, onder wiens vleugelen gij zijt komen schuilen.”
13 Daarop zeide zij: “Gij betoont mij wel uw gunst, mijn heer, want gij hebt mij vertroost en naar het hart van uw dienstmaagd gesproken, hoewel ik niet de gelijke ben van een uwer dienstmaagden.” (Het heil is uit Israël)
14 Toen het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: “Kom hierheen en eet van het brood en doop uw bete in de azijn.” En zij ging zitten naast de maaiers, en hij reikte haar geroost koren toe; zij at en werd verzadigd en hield over.
15 Toen zij was opgestaan om op te lezen, beval Boaz zijn knechten aldus: “Ook tussen de schoven mag zij oplezen en maakt haar niet beschaamd;
16 Veeleer moet gij opzettelijk iets voor haar uit de bundels trekken en het laten liggen, opdat zij het opleze; vaart niet ruw tegen haar uit.”
17 En zij las op in het veld tot de avond; en zij klopte uit wat zij opgelezen had, en het was ongeveer een efa gerst.
18 En zij nam het op en kwam in de stad. Toen haar schoonmoeder zag wat zij opgelezen had, en toen
zij te voorschijn haalde en haar gaf wat zij had overgehouden na verzadigd te zijn,
19 Zeide haar schoonmoeder tot haar: “Waar hebt gij vandaag opgelezen en waar hebt gij gewerkt?
Gezegend zij hij, die zijn oog op u heeft geslagen!” Toen vertelde zij haar schoonmoeder bij wie zij gewerkt had, en zeide: “De naam van de man bij wie ik vandaag gewerkt heb, is Boaz.”
20 Daarop zeide Noomi tot haar schoondochter: “Gezegend zij hij door de Here, die zijn goedertierenheid niet heeft onttrokken aan de levenden noch aan de doden.” Verder zeide Noomi tot haar: “Die man is aan ons verwant, hij is een van onze lossers.”
21 En Ruth, de Moabitische, zeide: “Bovendien heeft hij tot mij gezegd: ‘Sluit u aan bij mijn knechten, totdat zij gereed zijn met mijn gehele oogst.’”
22 Toen zeide Noomi tot Ruth, haar schoondochter: “Het is goed, mijn dochter, dat gij met zijn arbeidsters uitgaat, opdat men u op een ander veld niet hard valle.”
23 Zo sloot zij zich aan bij de arbeidsters van Boaz om op te lezen, totdat de gersteoogst en de tarweoogst afgelopen waren. En zij bleef wonen bij haar schoonmoeder.


Boaz biedt ons een prachtig beeld van de Messias!
Boaz is de losser van Ruth. Onze Verlosser werd een Zoon des mensen - Hij kwam in de menselijke familie - om ons te kunnen verlossen. Ruth is als vreemdelinge volledig overgeleverd aan de genade van haar (Ver)losser. Ze treft het bijzonder met deze liefdevolle man! Boaz koopt later het bezit van Elimelech en diens zonen terug. Hij betaalt de volledige prijs (Ruth 4: 9) en is daarmee een beeld van de Verlosser die ons heeft vrijgekocht en die onze naam en erfenis heeft veiliggesteld. Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. (Galaten 3:13).

Opmerkelijk: de plaats waar deze geschiedenis zich afspeelt: de velden van Erfata bij Betlehem! Betlehem (‘broodhuis’) is de stad van David. Deze geschiedenis speelt zich dus af op de plaats waar de engelen het goede nieuws aan de herders brengen!

Boaz benaderde Ruth en zorgde voor haar. Parallel hieraan: wij zoeken de onze Messias niet uit (al denken wij dat wel… Wij komen hooguit ‘bij geval’ op Zijn veld). De Verlosser kiest ons uit. Hij biedt ons voedsel, veiligheid / bescherming. Dit aspect wil ik vanmorgen benadrukken: Ruth wordt opgeroepen om op het veld van haar (Ver)losser te blijven:

8 Hierop zeide Boaz tot Ruth: “Hoor eens, mijn dochter, ga niet oplezen in een ander veld en ga ook niet hiervandaan; sluit u dan aan bij mijn arbeidsters,
9 (Gij ziet daar het veld voor u, dat men bezig is te maaien; NB Statenvertaling: ‘Uw ogen zullen zijn op dit veld’) en ga achter haar aan. Heb ik de knechten niet verboden u lastig te vallen? Hebt gij dorst, ga dan naar de vaten en drink van hetgeen de knechten scheppen.”


Boaz zei: “Ga niet oplezen in een ander veld”. Ruth was een jonge vrouw, het was gevaarlijk om haar onbeschermd in een ander veld te laten. Als onbeschermde buitenlandse vrouw zou ze extra gevaar lopen. Parallel hieraan zegt Jezus tegen de zijnen: ‘ga niet naar een ander veld, blijf op Mijn veld.’ Er is ook geen reden om zijn veld te verlaten, want Hij zegt: ‘Ik zorg voor je’. De Verlosser zorgt ervoor dat je niets te kort komt. Hij geeft je te drinken en er is meer dan voldoende te eten bij Hem!

Boaz promoveert Ruth van een ‘na-oogstster’ tot een maaister. Ze hoeft niet langer genoegen te nemen met de overblijfsels die op het geoogste veld zijn blijven staan. Boaz doet nog meer dan God van hem vraagt!

Deuteronomium 24:14 Gij zult de arme, behoeftige dagloner niet hard behandelen, hetzij hij behoort tot uw broeders, hetzij tot de vreemdelingen, die zich in uw land, in uw steden zullen bevinden.
(…)
19 Wanneer gij de oogst op uw akker binnenhaalt en een garve op de akker vergeet, dan zult gij niet teruggaan om die weg te halen; voor de vreemdeling, de wees en de weduwe zal die zijn, opdat de Here, uw God, u zegene in al het werk uwer han-den. 20 Wanneer gij uw olijven afslaat, zult gij de takken niet nog eens afzoeken; voor de vreemdeling, de wees en de weduwe zal dit zijn. 21 Wanneer gij de oogst van uw wijngaard inzamelt, zult gij niet nog eens een nalezing houden; voor de vreemdeling, de wees en de weduwe zal dit zijn. 22 Gij zult gedenken, dat gij in het land Egypte slaaf geweest zijt; daarom gebied ik u dit te doen.


Ruth hoeft niet eens meer zelf te oogsten! ‘Sluit u dan aan bij mijn arbeidsters’ Ze mag zich bij de maaisters voegen. Het werk wordt haar gemakkelijk gemaakt, want de knechten hebben van Boaz zelfs opdracht gekregen om opzettelijk de beste korenaren voor haar te laten vallen. Niet de slechte, stugge korenaren die blijven staan, maar het goede, rijpe graan wordt aan Ruth gegeven. Boaz krijgt deel aan de oogst van haar (Ver)losser!

Parallel: voordat de Verlosser in je leven komt, kun je hooguit hopen op wat overblijfsels van deze wereld.
Maar als je uitgekozen en verlost bent, dan ben je niet langer een na-oogst(st)er, maar een medemaai(st)er! ‘Nalezen’ betekent: steeds naar een ander veld gaan om te zien of daar nog iets van je gading is blijven staan. Als je niet in het veld van de Verlosser blijft, dan zul je je voeding moeten halen uit de overblijfsels van de wereld. Denk aan wat er voor de veloren zoon te eten overbleef! Eigenwijs als wij zijn - begeven we ons allemaal vroeg of laat buiten dit veld. Boaz hield Ruth niet tegen, hij riep haar slechts op om op zijn veld te blijven. Zou ze deze woorden in de wind slaan, dan stelt ze zich bloot aan de gevaren van de wereld. Buiten het veld van de Verlosser heb je geen deel aan zijn oogst!

Moeilijke teksten uit het Nieuwe Testament. Je bent verlost, kun je dan terugvallen? Je kunt uitwijken naar een ander veld, het veld van de wereld. Maar de Verlosser heeft je vrijgekocht. Uit vrije wil stel je jezelf niet langer onder Zijn bescherming en begeef je je op gevaarlijk terrein. Voor ons betekent ‘buiten de wil van de Verlosser staan’: niet luisteren naar zijn Geest, maar naar je eigen vlees. Deze strijd tussen vlees en geest is een terugkerend thema in de Bijbel.

‘God brengt mij in de moeilijkheden’. Dat klinkt wel vroom, maar het is niet waar! God brengt ons niet in moeilijkheden - Hij bewaart ons voor moeilijkheden. Wij werken onszelf in de nesten! We moeten gewoon zo verstandig zijn om op het veld van de Verlosser te blijven. Boaz zei: “Ga niet oplezen in een ander veld”. In de Statenvertaling: “Uw ogen zullen zijn op dit veld” (v. 9). M.a.w.: houd je blik gericht op het veld van de Verlosser en kijk niet begerige ogen naar andere velden. Je komt uit op de plek waar je je blik op gericht houdt… Daarom roept de Bijbel ons ook op om onze blik gericht te houden op Jezus.

In Johannes 4 spreekt de Heer met een vrouw bij de bron.
Op zich is dit al een opmerkelijk ‘spiegelverhaal’. Het zijn twee conversaties tussen een Joodse man en heidense vrouwen. Ruth is een Moabitische en zij wordt verlost door Boaz. De vrouw bij de bron is een Samaritaanse en zij wordt verlost door Jezus. Het is ongelofelijk (maar waar!) Jezus maakt deze niet-Joodse vrouw zonder omwegen duidelijk dat Hij de beloofde Messias is! (Joh. 4:25,26 De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen. 26 Jezus zeide tot haar: “Ik, die met u spreek, ben het.”)
Let wel: a) dit was een vrouw en b) dit was een Samaritaanse. Dat is nog eens een geval van positieve discriminatie!

Bij de put gaat het gesprek - zoals je dat bij een put mag verwachten - allereerst over water. Maar de vrouw denkt niet aan hetzelfde water als Jezus….
13 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal weder dorst krijgen; 14 maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven.

Het gesprek met de vrouw gaat ook over de mannen in haar leven. Jezus maakt pijnlijk duidelijk waar het aan schort bij deze Samaritaanse vrouw. Zij is niet trouw - dit in tegenstelling tot Ruth. Maar beide vrouwen hebben verlossing nodig en beide vrouwen ontvangen verlossing. Het heil is uit de Joden! De Samaritaanse vrouw wist van de Verlosser die zou komen. Ze was misschien geen voorbeeldige echtgenote, maar daarin is ze niet uniek. Maar Jezus ziet haar geloof - een geloof dat Hij bij zijn eigen volk zo miste! Jezus is ook de Verlosser van deze Samaritaanse vrouw. Hier staat de bruidegom die zich ontfermt over een bruid uit de heidenen! Hier wordt al een beetje duidelijk wat de reikwijdte van Gods genade is!

Voor ons onderwerp kijken we vooral naar het eind van Johannes 4, waar Jezus met zijn discipelen in gesprek raakt. De discipelen zijn op weg gegaan om boodschappen te doen. (8 Want zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen). Voedsel halen was altijd een grote zorg voor arme mensen! We hebben al gezien dat het een bijbels voorschrift was om voedsel op het land te laten staan, zodat armen en behoeftigen ook te eten hadden. De geschiedenis over ‘aren (na)lezen op de sabbath’ maakt ons duidelijk dat Jezus en zijn discipelen (soms) ook zo aan hun voedsel kwamen. Maar nu was er kennelijk geld om eten te kopen. De discipelen hebben voedsel gehaald en brengen dit bij hun Meester.

31 Intussen vroegen zijn discipelen Hem, zeggende: “Rabbi, eet.”
32 Hij zeide echter tot hen: “Ik heb een spijs te eten, waarvan gij niet weet.”
33 De discipelen dan zeiden tot elkander: “Iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht?”


Dit doet denken aan het ‘misverstand’ tussen de Samaritaanse vrouw en Jezus die vlak hiervoor allebei over ‘water’ spreken. De vrouw heeft het gewoon over ‘water’, maar Jezus spreekt over eeuwig leven!
Een vergelijkbare ‘langs elkaar heen praten’ -discussie heeft Jezus met Nicodemus over ‘opnieuw geboren worden’. Het lijkt wel of Jezus er een beetje plezier in heeft om mensen op het verkeerde been te zetten!

Belangrijke les die Jezus de discipelen leert: je moet niet allereerst bezorgd zijn over voedsel, maar over het doen van Gods wil. Kijk maar naar hetgeen er staat in de volgende verzen:

34 Jezus zeide tot hen: “Mijn spijze is de wil te doen desgenen, die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen. 35 Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten.

Het geestelijk voedsel voor de Heer is: in de wil van de Vader blijven en Zijn werk te doen!
‘De velden zijn wit om te oogsten’ wordt vaak alleen opgevat als: er zijn veel verlorenen die behouden moeten worden. Maar Jezus heeft het in dit verband over iets anders. Hij heeft het over geestelijk voedsel en over het doen van Gods wil. Ook de leerlingen van de Meester kunnen op het veld van de Verlosser blijven en van Gods zorg en bescherming genieten.

36 Reeds ontvangt de maaier (de gelovigen) loon en verzamelt hij vrucht ten eeuwigen leven, opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier verblijde. 37 Want hier is de spreuk waarachtig: ‘De een zaait, de ander maait.’ 38 Ik heb u uitgezonden om datgene te maaien, wat u geen arbeid heeft gekost; anderen hebben gearbeid en gij hebt de vrucht van hun arbeid geplukt.”

Jezus praat hier - zoals zo vaak! - in beelden. Uit de context is zijn bedoeling duidelijk: gelovigen hoeven niet meer genoegen te nemen met hetgeen op het veld is blijven staan, ze mogen uit genade mee-eten van de volledige oogst. De wil van de Vader is ook aan hen bekendgemaakt. Blijf op het veld van de Verlosser en haal - zoals Hij dat deed - bij God je voeding! Gelovigen hebben hetzelfde geestelijke voedsel tot hun beschikking als Jezus en onze Verlosser laat ons delen in de volle oogst van de rijpe korenaren. Geprezen zij Zijn naam!

Amen.

Laten we God danken voor de verlossing die Hij ons in Zijn Zoon heeft gegeven!

Zingen: ‘Genade kocht mij vrij’ (GK 498) en / of ‘Er is een Verlosser’ (Opwekking)

Viering Heilig Avondmaal

Zingen tijdens collecte: ‘Ik weet dat mijn Verlosser leeft’ (JdH 113)

Ter afsluiting een paar woorden van Paulus aan de Kolossenzen:

16 Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten. 17 En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam des Heren Jezus, God, de Vader, dankende door Hem! (…) 23 Wat gij ook doet, verricht uw werk van harte, als voor de Here en niet voor mensen; 24 gij weet toch, dat gij van de Here tot vergelding de erfenis zult ontvangen. Gij dient Christus als Heer. 25 Want wie onrecht doet, zal zijn onrecht terugontvangen, en er is geen aanzien des persoons. (…)

Zegenbede uit Numeri 6:

24 De Here zegene u en behoede u; 25 De Here doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig;
26 De Here verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede.

Comments: Een reactie posten

<< Home

Archives

This page is powered by Blogger. Isn't yours?