Zondag 26 september 1999
Kiest dan heden, wie gij dienen zult…
Inleiding
Jozua was samen met Kaleb als verspieder in Kanaan geweest. Hij was nu de leider van Israel. Een gehele generatie (40 jaar) was uitgestorven sinds de uittocht uit Egypte onder Mozes. Nu was de tijd gekomen om het aan Abraham beloofde land in te trekken. Maar dit land, Kanaan, was geen onbewoond land. Er leefden diverse volken die afgoden dienden. Jozua mag in de naam van de God van Israel dit land veroveren. God heeft toegezegd dat Hij daarbij zal helpen. Dat begint al bij de doortocht door de Jordaan.
Zoals bij de Rode Zee, wordt ook bij de Jordaan het water door Gods kracht tegengehouden. Het Jordaan-water staat op dat moment juist op het hoogste peil. In het boek Jozua is te lezen dat er stroomopwaarts bij
‘Adam’ (3:16) een dam van water wordt opgetrokken. Aan de andere kant loopt het water weg naar de
Dode Zee (symboliek?!).
De Levitische priesters hebben de verbondskist tot het midden van de Jordaan-bedding gebracht. Het volk volgt en steekt de rivier droog over. In het land Kanaan is de paniek compleet. De natuurlijke barriere, de Jordaan, bleek onvoldoende bescherming. Nu was de hoop gevestigd op de muren die de bewoners zelf hadden opgetrokken. We weten hoe het met Jericho gegaan is. En dat was nog maar het begin van de verovering. Plaats voor plaats werd ingenomen. Jozua mocht niets en niemand ontzien. Er mochten geen herinneringen overblijven aan de afgoderij.
Nu, tegen het eind van zijn leven, roept Jozua de leiders en het volk bijeen. De mensen weten nog hoe God ze het land heeft gegeven. Ze zijn zich nog bewust van hun afhankelijkheid van JHWH. Vanuit Egypte had Hij hun voorouders geleid. Door de Rode Zee waren zij ontsnapt aan de Egyptenaren. In de woestijn hadden zij water en brood (manna) gekregen. En nu, in hun eigen tijd, waren zij door de Jordaan getrokken. Jericho was gevallen. De zon en de maan hadden op Gods bevel stilgestaan. Ze waren getuigen geweest van grote wonderen. Maar Jozua voorziet dat het kwaad van de afgoderij weer z’n kop zal opsteken. Hij wil dat iedereen zich opnieuw toewijdt aan de HEER. Dit is een deel van zijn toespraak.
Bijbelgedeelte: Jozua 24 : 14 t/m 28
14 Welnu, vreest dan de Here en dient Hem oprecht en getrouw; doet weg de goden die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde der Rivier en in Egypte, en dient de Here.
15 Maar indien het kwaad is in uw ogen, de Here te dienen, kiest dan heden, wie gij dienen zult: of de goden die uw vaderen aan de overzijde der Rivier gediend hebben, of de goden der Amorieten, in wier land gij woont. Maar ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen!
16 Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons, de Here te verlaten en andere goden te dienen.
17 Want de Here is onze God. Hij is het, die ons en onze vaderen uit het land Egypte heeft gevoerd, uit het diensthuis, en die voor onze eigen ogen deze grote tekenen gedaan heeft, en ons behoed heeft op heel de weg die wij gingen, en onder alle volken door wier midden wij trokken.
18 De Here dreef alle volken en de Amorieten, de bewoners van dit land, voor ons uit. Ook wij zullen de Here dienen, want Hij is onze God.
19 Doch Jozua zeide tot het volk: Gij zult niet in staat zijn de Here te dienen, want Hij is een heilig God. Hij is een naijverig God. Hij zal uw overtreding en uw zonden niet vergeven.
20 Wanneer gij de Here verlaat en vreemde goden dient, dan zal Hij Zich omwenden, u kwaad doen en verdelgen, nadat Hij u heeft welgedaan.
21 Het volk zeide echter tot Jozua: Neen, maar de Here zullen wij dienen.
22 Daarop zeide Jozua tot het volk: Gij zijt getuigen tegen uzelf, dat gij u de Here verkoren hebt, om Hem te dienen. Toen zeiden zij: Wij zijn getuigen.
23 Nu dan, doet de vreemde goden weg, die in uw midden zijn, en neigt uw harten tot de Here, de God van Israel.
24 En het volk zeide tot Jozua: De Here, onze God, zullen wij dienen, en naar zijn stem zullen wij horen.
25 Te dien dage sloot Jozua een verbond met het volk en stelde inzetting en recht voor hen vast te Sichem.
26 Jozua schreef deze dingen in het wetboek Gods, en hij nam een grote steen en richtte die aldaar op, onder de terebint, op de heilige plaats des Heren.
27 En Jozua zeide tot het gehele volk: Zie, deze steen zal tegen ons tot getuige zijn, want hij heeft al de woorden des Heren gehoord, die Hij tot ons gesproken heeft. Daarom zal hij tot getuige tegen u zijn, opdat gij uw God niet verloochent.
28 Daarop liet Jozua het volk gaan, een ieder naar zijn erfdeel.
Overdenking
Jozua liet het volk gaan. Waarschijnlijk had hij al een voorgevoel. De mensen hebben zich massaal uitgesproken voor God. Ze hebben zich opnieuw aan Hem toegewijd. Maar zal het zo blijven? De verleidingen zijn groot. Het nieuwe land biedt volop mogelijkheden om een goed leven te leiden. Wie heeft God nog nodig? Er valt geen manna meer uit de hemel sinds men de Jordaan overgestoken is. Het is ook niet meer nodig, er is brood genoeg. Er komt geen water meer uit de rots. Dat hoeft ook niet, want de mensen hebben water en wijn in overvloed. Wat is het dreigende gevaar? De mensen zullen hoogmoedig en eigenwijs worden. Ze hebben God niet meer nodig. Ze hebben alles wat ze nodig hebben. En de vraag zal bij ze opkomen: waren die afgedankte afgoden eigenlijk niet aantrekkelijker dan JHWH? Is de God van Israel niet te streng met al zijn geboden? Kunnen we niet gewoon gaan doen wat we zèlf graag willen?
De generatie die zich onder Jozua opnieuw aan God toewijdde, is JHWH trouw gebleven. Maar de volgende generaties - in de tijd van de Richteren - vielen terug in het oude patroon van afgoderij en ongehoorzaamheid. Wat een hardnekkig volk!
Richteren 2 : 10 t/m 12
10 Nadat ook dat gehele geslacht tot zijn vaderen vergaderd was, kwam na hen een ander geslacht op, dat de Here niet kende, noch het werk, dat Hij voor Israel gedaan had.
11 Toen deden de Israelieten wat kwaad is in de ogen des Heren en gingen de Baals dienen.
12 Zij verlieten de Here, de God hunner vaderen, die hen uit het land Egypte geleid had, liepen andere goden achterna uit de goden der volken rondom hen, bogen zich daarvoor neer en krenkten de Here.
Is dit gedrag onvoorstelbaar? Zouden wij nooit zo’n terugval kunnen maken? Of toch…?
Toepassing
God heeft ons van slavernij bevrijd. Hij heeft ons door de doodsjordaan geleid. We zijn ‘ongemerkt’ door de dood gegaan. Dankzij zijn Nieuwe Verbond kunnen wij aan de hand van Joshua (= Jezus) het Koninkrijk van God intrekken. Natuurlijk, we moeten strijd leveren met ongeloof en afgoderij. Maar God geeft de overwinning! We hebben van alles meer dan genoeg. Blijven wij op God vertrouwen? Of laten we ons opnieuw verleiden?
Het is niet moeilijk om ‘moderne afgoden’ te benoemen. Maar al te makkelijk identificeren wij die afgoden als ‘bezit’. Al s wij niet oppassen, worden wij zelf bezeten door onze materiële eigendommen. Het is een reeel gevaar. Maar wat is het geestelijke gevaar? Het zijn misschien niet de gesneden of gebeeldhouwde afgoden. Maar het zijn wel onze denkbeelden. Het is een geestelijke oorlog waar we midden in zitten. Zeker, we zijn het Koninkrijk ingetrokken. Gelukkig, we zijn aan de dood ontsnapt. Maar nu komt het erop aan: blijven we God trouw dienen, of vallen we terug op onze oude denkbeelden?
Wat zijn die denkbeelden? Je eigen verlangens die je (soms ‘tijdelijk’) boven God stelt. Alle zaken waar je hart naar uit gaat. De goden van je verbeelding! De kenmerken en ideeën die wij God toedichten - maar die in het geheel niet van God zijn!
We maken een reis door de tijd. We komen een stuk dichterbij - maar toch nog altijd op zo’n 2000 jaar afstand… we geven het woord aan de ‘Joshua’ van het Nieuwe Verbond: Jezus Christus!
De schriftlezing uit het Nieuwe Testament vindt u in Johannes 6. Dit hoofdstuk begint met degeschiedenis van de wonderbare spijziging. Een massa van meer dan 5.000 mensen heeft op een wonderbaarlijke wijze van Jezus te eten gekregen. Slechts 5 broden en 2 vissen waren voldoende om iedereen ruim te eten te geven. Er bleven na afloop zelfs 12 volle manden over! De mensen zijn dol-enthousiast en willen Jezus tot hun aardse koning maken.
15 Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te
maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen.
Naderhand gaan de mensen op zoek naar Jezus. Ze vinden hem terug te Kafarnaum. Daar maakt Hij de toehoorders duidelijk dat Hij geen aardse, maar een hemelse ‘Joshua’ is…
25 En toen zij Hem aan de overkant der zee vonden, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen?
26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar,Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen
gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt.
27 Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de
Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt.
28 Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen,opdat wij de werken Gods mogen werken?
29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft.
30 Zij zeiden dan tot Hem: Wat voor teken doet Gij dan, opdat wij mogen zien en U geloven? Wat
voor werk doet Gij?
31 Onze vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven is: Brood uit de hemel
gaf Hij hun te eten.
32 Jezus zeide dan tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel;
De toehoorders vatten alles op een aards niveau op. Ze willen een gevulde buik en een koning die Israel vrij zal maken van overheersing. Maar Jezus spreekt over een geestelijke koninkrijk en over een hemelse roeping:
51 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij
zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.
52 De Joden dan streden onderling en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven?
53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen
eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf.
54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten
dage.
55 Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank.
56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.
57 Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet,
leven door Mij.
58 Dit is het brood, dat uit de hemel nedergedaald is, niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven
zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.
59 Dit zeide Hij, lerende in de synagoge te Kafarnaum.
60 Vele dan van zijn discipelen hoorden dit en zeiden:Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren?
61 Jezus nu wist bij Zichzelf, dat zijn discipelen hierover morden, en Hij zeide tot hen: Geeft u dit aanstoot?
62 Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was?
63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb,
zijn geest en zijn leven.
64 Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven Want Jezus wist van den beginne, wie het waren,
die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou.
65 En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de
Vader gegeven zij.
66 Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede.
67 Jezus zeide dan tot de twaalven: Gij wilt toch ook niet weggaan?
68 Simon Petrus antwoordde Hem: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig
leven;
69 en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods.
70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalven uitgekozen? En een van u is een duivel.
71 Hij bedoelde Judas, de zoon van Simon Iskariot; want die zou Hem verraden, een uit de twaalven.
Parallellen:
Jozua - Jezus hebben dezelfde naam. Dat is geen toeval. Maar Jezus is een Koning van een andere orde! De betekenis van deze naam is:
Redder.
Jozua bracht het volk ik het beloofde land. Jezus brengt zijn volk door de doodsjordaan in het hemels koninkrijk. Dat is een koninkrijk van een andere orde!
Jozua stelt mensen voor een duidelijke keuze. Jezus doet dat ook! Jozua is de koning die vooraf ging aan de Richteren. Hij was niet alleen maar ‘vroom en genadig’. Hij was een dappere strijder die de vijanden van God versloeg. Jezus doet hetzelfde. Hij zal komen als Verlosser en Heerser - en als Rechter voor de wereld!
Zullen wij ons opnieuw - dagelijks - toewijden aan deze hemelse ‘Joshua’? Kunnen wij het getuigenis van de Rots - Petra - Petrus - (zoals de steen die Jozua had opgericht!) nazeggen? Is onze gemeente op die steen gebouwd?
(68 Simon Petrus antwoordde Hem:) Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven;
69 en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods.
Laten wij trouw blijven aan Jezus en ons verre houden van de afgoderij van onze tijd. Een betere Leider, Verlosser en Rechter is er niet!
Zegenbede (2 Tess. 3:16-18)
16 En Hij, de Here des vredes, geve u de vrede, voortdurend, in elk opzicht. (De Here zij met u allen.
17 Een eigenhandige groet van mij, Paulus. Dit is een waarmerk in elke brief: zo schrijf ik.)
18 De genade van onze Here Jezus Christus zij met u allen.